Actualiteiten

Een haar in de soep

woensdag 07 augustus 2019

Freek Busweiler is vanaf 2018 bestuurslid van Pensioenfonds PGB namens de VVG. Hij gaat in zijn columns graag in op thema’s waarmee hij zich in het bestuur bezig houdt: communicatie en dienstverlening. Maar ook op onderwerpen die als gepensioneerde dicht bij hem staan.

Zaterdag 15 juni was misschien wel de spannendste dag in de geschiedenis van het Nederlandse pensioenstelsel van de afgelopen 10 jaar. Op die dag werd bekend of de achterbannen van FNV en CNV instemden met het kort daarvoor gesloten pensioenakkoord. Dat was spannend, want de eerste reacties waren best kritisch. Iedereen was dan ook opgelucht toen het ‘ja’ klonk. Opgelucht omdat daarmee voorlopig een einde kwam aan een al tien jaar slepende pensioendiscussie. En ook opgelucht omdat daarmee een dreigende korting bij enkele grote pensioenfondsen van tafel leek.

Die opluchting is inmiddels behoorlijk getemperd. Nog voordat een begin is gemaakt met de uitwerking staat het pensioenakkoord al behoorlijk onder druk. De uitwerking is op zich al een megaklus, die jaren gaat duren. En de overgang naar het nieuwe stelsel is niet eenvoudiger geworden door een behoorlijke haar in de soep. Eigenlijk twee ‘haren’: de alsmaar dalende rente en een wijziging van de financiële spelregels vanaf volgend jaar. Samen zorgen die twee ontwikkelingen ervoor dat de kans op een korting (een verlaging van de opgebouwde pensioenen en pensioenuitkeringen) ineens toch weer een reëel risico is voor heel veel mensen. Bij Pensioenfonds PGB is de kans op een korting volgend jaar nog altijd klein, ook al merken we de gevolgen van de lage rente en de veranderde spelregels natuurlijk wel.

Redenen waarom moet worden gekort
Hoe zit het ook alweer met korten? Er zijn twee situaties waarin een pensioenfonds volgens de wet moet korten. De eerste is wanneer een fonds langer dan vijf jaar aaneengesloten niet beschikt over de minimale financiële reserve die de wet voorschrijft. Die minimale reserve bedraagt bij Pensioenfonds PGB 4,2%. In het pensioenakkoord is afgesproken dat deze eis wordt afgezwakt tot het nieuwe stelsel er is. Pensioenfondsen die in deze situatie verkeren hoeven volgend jaar niet te korten, mits hun vermogen op 1 januari aanstaande groot genoeg is om de verplichtingen te dekken. Dat wil zeggen dat ze een dekkingsgraad van 100% moeten hebben.

De tweede reden om te korten is wanneer de financiële positie van een pensioenfonds zodanig is verzwakt dat de dekkingsgraad van het fonds beneden een kritisch minimum daalt: de kritische dekkingsgraad. Bij PGB bedraagt die op dit moment 88%. Daaronder is het fonds niet meer aantoonbaar in staat om binnen een periode van tien jaar zo aan te sterken dat het weer in staat is in de toekomst aan zijn verplichtingen te blijven voldoen.

De rentedaling
De eerste haar in de soep wordt veroorzaakt doordat de rente waarmee pensioenfondsen moeten rekenen bij het vaststellen van de waarde van hun verplichtingen, de laatste tijd weer verder is gedaald. Bij een aantal fondsen dat al in de gevarenzone zat, dreigen de verplichtingen daardoor de bezittingen te overtreffen. Ze lopen het ernstige risico dat ze ondanks goede beleggingsresultaten per 1 januari aanstaande de dekkingsgraad van 100% niet halen. Die pensioenfondsen dachten dat ze dankzij het pensioenakkoord uit de problemen waren, maar lopen nu alsnog het risico te moeten korten.

De gewijzigde spelregels
Eens in de vijf jaar benoemt het kabinet een commissie die advies geeft over rekenregels voor pensioenfondsen. Deze zogenaamde commissie Parameters heeft de teugels behoorlijk aangehaald, en haar strenge adviezen zijn overgenomen door kabinet en toezichthouder DNB. Hierdoor moeten pensioenfondsen de komende jaren onder meer rekenen met een lager te verwachten rendement. Dat heeft gevolgen voor de herstelkracht van het fonds. Als pensioenfondsen voor de komende jaren uit moeten gaan van een lager rendement, dan gaat de kritische dekkingsgraad omhoog, want het wordt moeilijker om binnen tien jaar weer voldoende te herstellen. Deze aanscherping van de spelregels kan – samen met de lage rente – tot gevolg hebben dat een aantal pensioenfondsen op 1 januari aanstaande onder de kritische dekkingsgraad zakt en als gevolg daarvan moet korten.

Tegenvaller
Zowel de dalende rente als de nieuwe spelregels zijn voor veel pensioenfondsen een ernstige tegenvaller. De gedachte had toch min of meer postgevat dat door het nieuwe pensioenakkoord de kortingsdreiging voorlopig was afgewend. Nu blijkt dat door de recente ontwikkelingen bepaald niet het geval te zijn. Dat leidt ook tot onbegrip.
Na tien jaar van moeizame discussie ligt er eindelijk een akkoord en staan alle partijen klaar om het verder uit te werken, drijft er deze haar in de soep waardoor alles weer op scherp staat. Dat is een tegenvaller voor de werknemers-en werkgeversorganisaties, voor het kabinet en de politiek. Maar de mensen die hier echt de dupe van kunnen worden zijn de miljoenen deelnemers en gepensioneerden die onverhoeds met deze dreiging worden geconfronteerd.
Hoe dit afloopt zal de komende maanden moeten blijken en dat wordt nog een spannende puzzel.

Ons pensioenfonds zit gelukkig niet in de gevarenzone. Onze beleidsdekkingsgraad was de afgelopen twee jaar hoger dan 104,2% en de kans dat we op 1 januari onder de – dan verhoogde – kritische dekkingsgraad zakken, is klein. Dat is overigens geen reden om rustig achterover te leunen.
De lering die ook wij moeten trekken uit deze haar in de soep is dat de wereldwijde lage rente een voortdurend risico betekent voor onze pensioenen; een risico dat niet wordt weggenomen door het pensioenakkoord. Want een pensioen dat meer meebeweegt met de financiële markten betekent ook in de toekomst een reële kans op korten.